Rijksmonument: kasteelruïne

Het kasteel besloeg in oorsprong een rechthoekige oppervlakte 25 x 26 m, waarvan drie zijden waren bebouwd en bevatte een versterkt deel en een woongedeelte. De toegang was in de zuidoostelijke hoek gesitueerd, gemarkeerd door een rechthoekige toren met op de hoek een ronde toren ter bescherming van de ingang. Omstreeks 1700, toen de westvleugel reeds was verdwenen, werd het gemoderniseerd en heeft de hoofdvorm van twee haakse vleugels sedertdien geen ingrijpende verandering ondergaan. Vanaf circa 1860 stond het kasteel leeg en zette het verval in: tussen 1890 en 1910 verdween de noordvleugel en driekwart van de oostvleugel. Alleen de traptoren en de kelders bleven behouden.

In de huidige ruïne is het oorspronkelijke veertiende-eeuwse grondplan nog goed herkenbaar aanwezig, evenals resten uit de bouwtijd, die zich deels onder het maaiveld bevinden. De noordvleugel met traptoren werd in 1935 hersteld dan wel gereconstrueerd, maar in 1944 weer door oorlogshandelingen grotendeels verwoest. Van die noordvleugel resteert thans een ruïne op rechthoekige plattegrond, aan de westzijde beëindigd door een trapgevel en aan de oostzijde door een puntgevel met schoorsteenkanaal. De travee met de trapgevel is een toevoeging uit 1935. Het bouwlichaam bestaat uit een twee bouwlagen hoog, vier vensterassen tellend noordelijke gedeelte, dat gedeeltelijk nog tot goothoogte aanwezig is. De ruimte wordt in de breedterichting verdeeld in drie gedeelten, elk afgescheiden door een scheidingsmuur bekroond door een schoorsteen. In het muurwerk zijn nissen aangebracht. De zuidzijde van de vleugel is, naar voorbeeld uit de zeventiende eeuw, over de gehele lengte uitgebouwd met een één bouwlaag hoge zijbeuk, die oorspronkelijk door een lessenaarsdak werd afgesloten. In die uitbouw bevindt zich de half ingebouwde, vierkante zeventiende-eeuwse traptoren, het enige bouwdeel dat uit die tijd tot op goothoogte bewaard is gebleven. De toren bevat aan de voorzijde een segmentboogfries op kraagsteentjes en wordt aan de bovenzijde afgesloten door een tandlijst.

Aan de oostzijde van de traporten bevindt zich een met pannen gedekte galerij met een driedelige arcade. Het muurwerk en de arcaden, evenals gedeelten van de traptoren, bevatten de voor het kasteel zo karakteristieke speklagen. Het opgaand muurwerk met speklagen aan de oostzijde grenzend aan de noordvleugel is een restant van een in oorsprong veertiende-eeuwse, maar in 1600-1625 ingrijpend verbouwde en verhoogde oostvleugel. Verder naar het zuiden de funderingen van de vroeg zeventiende-eeuwse zuidoostelijke poorttoren (“heksentoren”), die de plaats innam van de veertiende-eeuwse ronde toren die de ingang van het kasteel beschermde. Naast de toren zijn gemetselde bruggenhoofden, die dienen als pijlers voor de latere houten toegangsbrug. In het midden van het kasteelterrein is een gemetselde waterput. Een negentiende-eeuws terras op de binnenplaats wordt met een hardstenen trap verbonden met het lagere terreingedeelte dat naar de gracht toe leidt.

Waardering

De KASTEELRUÏNE is van algemeen belang:

  • vanwege de ouderdom;
  • als karakteristiek versterkt centrum van een heerlijkheid.

(bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)